Beperking duur partneralimentatie in de praktijk

De vakgroep Familierecht van Immix Advocaten heeft met de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 23 november 2010 de nodige aandacht getrokken. Het Gerechtshof heeft in een bepaald geval de wettelijke alimentatietermijn van twaalf jaar wegens bijzondere omstandigheden verkort naar zes jaar en één maand.

Op grond van de wet geldt er een alimentatieverplichting voor een periode van twaalf jaar. Deze begint te lopen vanaf het moment waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

In bijzondere omstandigheden kan deze termijn worden verlengd op verzoek van de alimentatiegerechtigde (binnen drie maanden nadat de termijn is verlopen), maar ook verkort worden.

Wanneer het huwelijk korter dan vijf jaar heeft geduurd én er geen kinderen uit het huwelijk zijn geboren, wordt de duur van de alimentatieplicht gelijkgesteld aan de duur van het huwelijk. Daarnaast kan de rechter op verzoek van de alimentatie-plichtige de termijn voor betaling van partneralimentatie verkorten. Gelet op de huidige stand van de rechtspraak worden dergelijke verzoeken niet snel toegewezen.

In ons geval betrof het een situatie waarin de man en de vrouw slechts gedurende een korte periode gehuwd waren (zes jaar en één maand). In deze periode hadden zij slechts vier jaar samengeleefd. Bovendien waren deze echtelieden op latere leeftijd gehuwd. De rechtbank heeft in eerste instantie, conform de hoofdregel, geoordeeld dat de man toch gedurende twaalf jaar partneralimentatie diende te betalen aan de vrouw. De man ging in hoger beroep bij het Gerechtshof waarop het Gerechtshof besliste dat de duur van zijn alimentatieverplichting gelijk moest worden gesteld aan de duur van het huwelijk. Hij behoeft dus nu ‘slechts’ zes jaar en één maand partneralimentatie te betalen. Het Gerechtshof baseerde deze beslissing op het feit dat de lotsverbondenheid tussen partijen slechts van korte duur was geweest. Met lotsverbondenheid werd in feite bedoeld dat zij op latere leeftijd slechts vier jaar samen hadden geleefd en beiden financieel zelfstandig waren op het moment van de echtscheiding en dat er geen kinderen waren geboren.

Deze uitspraak leert dat in de toekomst vaker een beroep kan worden gedaan op het afwijken van de twaalfjaarstermijn. U kunt de volledige uitspraak lezen op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer BR3053.